John en Anita, Rotterdammerts in hart en nieren, gaan er een dagje op uit in de stad. Anita heeft een hele planning gemaakt, maar John houdt niet van verrassingen en vraagt: “Hee uhh! Wah gaan we doen?” Anita, die zo hard heeft gewerkt om er een hele mooie dag van te maken voor John, doet net alsof ze John niet verstaat: “Wat zeggie?” John reageert gepikeerd: “Pleurt effe gauw op tan!” Maar uiteindelijk gaat hij zonder aarzeling mee met Anita.
 
Eenmaal aangekomen bij de eerste plaats van bestemming, het Centraal Station, of voor de echte Rotterdammerts ‘Station Kapsalon’, wordt John bijna van zijn sokken gereden. Luidkeels schreeuwt hij over het stationsplein: “Kijk uit joh, mafketel!” Een jonge gozert voelt zich aangesproken en roept wat terug. John vindt dat hij gelijk heeft en polst bij Anita of dat zo is: “Hij reed me bijna plat, ja toch?! Niettan?” Anita vindt dat John zich aanstelt en snauwt: “Ken mij da verrottuh!” Al bekvechtend lopen ze richting de Koopgoot.
 
In de Koopgoot aangekomen bedenkt Anita dat ze eigenlijk eerst naar een specifieke winkel wilde. John, die zijn vrouw al langer kent dan vandaag, heeft daar geen zin in en kwettert geërgerd: “Da gaanie, he? We staan nou toch hier?” Wat John niet wist, is dat Anita naar de snoepwinkel wilde om later op de avond een traktatie te hebben. Anita zegt: “Das godverdommus mooi! We moeten toch echt even terug.” John strompelt achter zijn vrouwtje aan richting de snoepwinkel.
 
“Goedemiddag, wat kan ik voor u doen?” blaat de jonge en ietwat dikke vriendelijke meid achter de kassa in de snoepwinkel. Anita is op zoek naar zurebommen en vraagt: “Hebbie ook zurebommen dan?”, waarop de kassameid antwoord: “ja hoor, 10 stuks voor 5 euro!” John’s oren beginnen te klapperen: “5 Euro?! Op je muil, gauw!” Gelukkig is de kassameid die Rotterdammerts wel gewend en hapt terug: “Grote muil, dikke lip. Je moet je man toch effe op ze vessie spuuge!” Anita laat een vreemde niet zo tot haar man spreken en heft haar stem: “O ja, joh? Dan maar geen zurebommen voor vanavond.”
 
Na het spektakel in de snoepwinkel heeft John steeds minder zin in het avondprogramma. Hij belt zijn beste vriend Aad op en opent het gesprek: “Hebbie dat gezien gozert?” Ze lullen nog wat door over wat er bij de voetbal is gebeurd dat weekend, terwijl John en Anita onderhand aankomen bij hockeyclub Leonidas. John voelt zich hier een vreemde vis in het water en roept naar wat giechelende tienermeisjes: “Kejje ’t zien?” Anita vindt dit enigszins ongepast en geeft John de tip om maar effe naar z’n aige gezaik te luisteren. Ondertussen staat Anita langs de kant te juichen voor haar favoriete clubje ‘Nultien – Keije dat niet horuh dan!’ en zet ‘You’ll Never Walk Alone’ in. John is onderhand weer terug van het toilet en is in gesprek geraakt met een fervent Leonidas-ganger met een hete aardappel in zijn mond. John: “Wah zeggie? Azzie vaw dan leggie!” En hij buldert het uit van het lachen. Hij voelt zich gelukkig al wat meer thuis, en das maar beter ook…. Want wij zijn Nultien – Keije dat niet horuh dan!

Nultien